Vakantie in Malaysia

8Het was èn zomervakantie èn we moesten een nieuw werkvisum om in Indonesia te kunnen blijven werken. Eén en één werd uiteindelijk twee en onze bestemming werd Malaysia. Hoewel we van te voren nog niet zeker wisten of het juiste visum zou gaan lukken (door papierwerk dat nog niet was afgerond in Jakarta) hebben we toch maar de gok genomen om te gaan. Als het zou mislukken, zouden we altijd nog terug kunnen met een ander visum, maar als het zou lukken scheelt het een reis. Hieronder mijn observaties over Malaysia en onze vakantie.

4   3

Malaysia blijkt een zeer ontwikkeld land in vergelijking met Indonesia. Zo is er riolering, er zijn stoepen, mensen lijken veel meer dan in Kupang iets nuttigs te doen te hebben, het vuilnis wordt opgehaald en de straten zijn schoon. Ook valt geen enkele keer in 20deze 2 weken de stroom uit. Wat een luxe! Maar het heeft ook een keerzijde. Het hele land is veranderd in een grote plantage van vooral palmbomen (voor olie om mee te koken) en rubberbomen. Dit ten koste van het oerwoud. Overal wordt gebouwd en er is heel veel mijnbouw om te kunnen bouwen. Grote delen van het land zijn dus echt verschrikkelijk lelijk, nog afgezien van de schade die er is en wordt aangericht. Overal waar we zijn geweest is het land gehuld in een dikke laag smog. In Indonesia is er geen city-planning, in Malaysia is het er beperkt. Zo zijn er in Kuala Lumpur (KL) eindeloos veel kolossale shoppingmalls waar het dus niet goed mee gaat. Dus dan is er eerst jarenlang een bouwput op een plek waar eerst een mooie wijk of een bos was en dan wordt er een shoppingmall gebouwd die al snel zijn glans verliest en dan leeg staat. Hetzelfde geldt voor veel woningbouw projecten. Veel van de hoge torens lijken leeg te staan.

1    2

We gaan snel KL weer uit en richting de Cameron Highlands, een berggebied met veel jungle, theeplantages en aardbeienteelt. Ondanks de beroerde bewegwijzering en kaarten hebben we toch best lekker kunnen lopen door de jungle en de bergen en steeds de weg weer teruggevonden. Ook het dorpje waar we logeerden is volgebouwd met allerlei resorts en ze waren nog aan het bijbouwen. We vragen ons af wat al die mensen die daar logeren doen. Op de bergpaadjes die wij hebben gelopen zijn we ze in ieder geval niet tegengekomen.

7

6    5

9Vervolgens naar Pulau Pangkor, een eilandje vlak voor de kust. Het dorpje waar we logeren heeft iets van Ba’a op Rote, maar dan wat groter en met een goed georganiseerde ferry. Daar kunnen ze op Rote nog iets van leren! Aan de andere kant van het eiland zijn een paar mooie stranden. Ook dit
eiland zou een mooie junglewalk moeten hebben (staat op iedere straathoek aangekondigd), maar deze blijkt helaas verleden tijd. Ik geloof dat we qua tropische eilanden een beetje verwend zijn, want we waren niet zo onder de indruk. Het was wel mooi, maar niet zo mooi als we gewend zijn. Wel de neushoornvogel (toekan) en een slang heel mooi gezien. Dat geldt trouwens voor heel Malaysia: veel meer vogels en dieren dan in Indonesia. Daar vangen en eten ze nog alles wat beweegt. Het zegt wel iets over de ontwikkeling van Malaysia of het gebrek aan ontwikkeling in Indonesia.

10

Terug naar Kuala Lumpur voor het klusje waarvoor we hier ook kwamen: een nieuw visum halen bij de Indonesische ambassade. Dit visum kunnen we dan in Kupang omzetten in een werkvisum. De Indonesische ambassade blijkt te zitten in een groot gebouw waar vooral heel veel Indonesiers die in Malaysia werken hun paspoort aan het verlengen zijn. Een hal ter grootte van 2 sporthallen wordt als wachtruimte gebruikt. We zijn blij dat we niet in deze rij hoeven. De visumaanvraag blijkt eenvoudig en de volgende dag kunnen we het al ophalen. Wat een verschil met de vorige keer toen we dit in Dili (Oost-Timor) deden. Toen waren we 2 weken bezig en de sfeer was een stuk onvriendelijker.

11

17   19

De laatste dagen zijn we naar Melaka geweest. Dat is een stad met veel oude koloniale gebouwen en een enorme toeristische trekpleister (Unesco World Heritage). Ondanks de gigantische drukte wel mooi om alle oude huizen en gebouwen te zien en een verademing na alle lelijke gebouwen in KL. Wellicht is het zelfs dankzij de enorme kermis die er omheen is gebouwd (van mega-mall tot pretpark) dat het oude gedeelte nu wel bewaard moet blijven, anders is de trekpleister weg voor al die andere attracties. In de Lonely Planet stond dat je bepaalde plekken moest vermijden in het weekend, om dat je dan alleen maar elkaar in de weg staat. Het is waar. Het is hier drukker dan in het Van Gogh-museum (dat kan bijna niet). Om het andere gebouw is een of ander museum (muzium in het Maleis 😉 ) over de meest willekeurige onderwerpen.

13   14

In de rivier door de stad zagen we een aantal varanen (een monitor lizard, een kleine neef van de komodo dragon) van rond de 2 meter lang. Best forse jongens. We kwamen er ook nog eentje tegen in een straatje bij ons huis om de hoek. Die zat lekker verstopt in het riool. Deze was nog niet zo groot, maar je wilt ‘m nog steeds niet ’s avonds in een steegje tegenkomen.

12   18

In Melaka waren veel art galleries. Voor ons een verademing, want die hebben we niet op Timor. De meiden werden nog getekend door de Malaysische artiest Tham Siew Inn, die vergelijkbare tekeningen voor een indrukwekkend bedrag verkocht. We zijn benieuwd of de meiden daar nu tussen hangen.

16

Als vakantieland krijgt Malaysia een 5. Het is bij vlagen mooi, maar ze zijn druk bezig om alles wat nog natuurlijk of authentiek is te vernietigen. Daarnaast lukt het ze niet om kaarten die kloppen of bewegwijzering te regelen. Verder hebben we niet in hotels geslapen, die ook maar enigszins uitnodigend er uit zagen. Ze weten gewoon niet hoe het moet, terwijl Thailand en Bali toch echt niet te ver weg zijn om de kunst af te kijken. Als je ook naar Thailand, Cambodia, Vietnam of natuurlijk Indonesia kunt gaan, dan weten wij het wel. Eén kolossaal pluspunt: het eten is echt geweldig. De combinatie van Indiaas, Indonesisch, Thais en Chinees eten leidt tot een oneindige keuze uit heerlijk eten. Naast de zeer soepele verlenging van ons visum is ook het eten een reden om een keer terug te komen.

21    15

Fotoverslag vakantie Nieuw Zeeland

wpid-img_20141222_215245.jpg

Drie weken vakantie was niet genoeg om Nieuw-Zeeland goed te bekijken. We zijn door gebieden gereden (en niet gestopt) die de toeristengidsen niet eens halen waar je je  moeiteloos drie weken kan vermaken. Maw: we moeten ooit nog een keer terug. Hieronder een fotografisch overzicht van de pracht van Nieuw-Zeeland.

wpid-img_20141215_204158.jpg wpid-img_20141215_203333.jpg wpid-img_20141215_203149.jpg

Windy Wellington had gelukkig voor ons een paar zonnige dagen in petto.

wpid-img_20141215_202038.jpg wpid-img_20141215_202221.jpg wpid-img_20141215_202357.jpg

Wellington – Zealandia eco-sanctuary – Tui & Kaka (papagaai)

wpid-img_20141217_174632.jpg

Otago peninsula bij Dunedin

wpid-img_20141217_174145.jpg wpid-img_20141217_174328.jpg

Otago peninsula bij Dunedin – royal albatross

wpid-img_20141217_175528.jpg wpid-img_20141217_175423.jpg

Otago peninsula bij Dunedin – yellow-eyed penguin met kids & blue penguin

wpid-img_20141217_175348.jpg wpid-img_20141217_175240.jpg

Otago peninsula bij Dunedin – NZ fur seal met kids (zeehond)

wpid-img_20141217_174505.jpg wpid-img_20141217_174422.jpg

Otago peninsula bij Dunedin – broedende spotted shag (aalscholver)

wpid-img_20141219_082448.jpg wpid-img_20141219_083013.jpg wpid-img_20141219_083310.jpg

Verre familie van Judith met boerderij in de buurt van Dunedin

wpid-img_20141220_183810.jpgwpid-img_20141220_185943.jpg wpid-img_20141220_185822.jpg  wpid-img_20141222_215943.jpg wpid-img_20141222_220230.jpg wpid-img_20141219_130534.jpg

Te Anau & Kepler track – prachtige tocht, soms een beetje vermoeiend…

wpid-img_20141222_215552.jpg wpid-img_20141222_215348.jpg wpid-img_20141222_220118.jpg

Queenstown & Glenorchy

wpid-img_20141225_093548.jpg

Franz Joseph gletsjer – een “witte” kerst

wpid-img_20150104_124455.jpg wpid-img_20141222_215124.jpg

Kea (papagaai)

wpid-img_20150104_131713.jpg wpid-img_20150104_131547.jpg

Christchurch – bijna niets over van het stadscentrum na de aardbeving in 2011

wpid-img_20150104_131941.jpg wpid-img_20150104_131845.jpg

Kaikoura – kuststrook met zeehonden en dolfijnen

wpid-img_20150101_135845.jpgwpid-img_20150101_121810.jpg  wpid-img_20150101_135531.jpg wpid-img_20150104_124043.jpg

Abel Tasman National Park – Nieuwjaarsdag (inclusief duik) en bezoek aan Marja-Mia Brusse

Komodo National Park & Labuan Bajo

komodo momHet is tegen zessen als ik wakker word. Dat klinkt misschien vroeg, maar meestal zijn we al eerder bezig. Soms uit eigen keuze en gewenning, soms geholpen door een dolenthousiaste Timothy die vindt dat het de hoogste tijd is. Het voelt dus eigenlijk als uitslapen vandaag, niet in de laatste plaats omdat deze nacht niet werd verstoord door festiviteiten rondom een bruiloft die de afgelopen 5 nachten hun tol hebben geëist. Nu hoor ik alleen de zee. Ik ben in Labuan Bajo op het eiland Flores. Het is de uitvalsbasis voor toeristen die naar Komodo National Park willen. De combinatie van de baai, de eilandjes in de buurt, de blauwe zee en de boten die voor anker liggen maken het uitzicht fotogeniek in het kwadraat. Ik logeer in het gastenverblijf bij een verzorgingstehuis voor lichamelijk en verstandelijk gehandicapten. Het is een oud houten huis, zeer goed onderhouden, net zoals de andere faciliteiten prachtig gelegen aan het strand. Ik betwijfel of de bewoners doorhebben op wat voor unieke plek ze wonen.

haven labuan bajo

Hoogste tijd om de buurt te gaan verkennen en geen betere manier om dat te doen dan al hardlopend. Ik denk weg te kunnen sluipen van het terrein zonder iemand wakker te maken, maar het blijkt dat ze hier allang op zijn. Ik weet precies hun dagelijkse gebed in de kapel te verstoren. Dat heb ik weer. Mijn hardlooproute voert vrij snel steil omhoog, een kuitenbijtertje. Halverwege de beklimming ben ik al zo buiten adem dat ik een eenvoudige prooi zou zijn voor een verdwaalde komodo dragon, maar ik kom gewoon boven aan. Labuan Bajo wordt ontwikkeld als toeristenbestemming voor mensen die een uitje willen vanuit Bali. Het vliegveld waar ik langs ren wordt compleet herbouwd. Zelfs de top van de heuvel aan het einde van de landingsbaan wordt er afgehaald om het landen eenvoudiger te maken. Ook wordt er een stuk strand dat eigenlijk een publieke bestemming heeft helemaal volgebouwd met hotels met privé stranden. Zo gaat dat in Indonesië. In Kupang is het niet anders. Als je maar de juiste mensen genoeg betaalt, dan kan alles. Ik moet eerlijk zeggen dat ik dat gebied wel logisch vind om op te offeren voor het toerisme, maar dan hoeft het strand nog niet afgesloten te worden natuurlijk. Ik ren weer naar beneden – dat gaat stukken gemakkelijker – en kom in het centrum van Labuan Bajo. De boten liggen prachtig voor en aan de kust. Bij de markt is het al een drukte van belang. De straat langs de haven is een combinatie van traditionele havenbedrijvigheid, souvenirshops, duikscholen, restaurants en kleinere hotelletjes. Het bevalt mij wel. Er staat zelfs een agent om het verkeer te regelen. Niet dat er al verkeer is op dit tijdstip, maar toch. Bijna terug blijk ik nog een keer zo’n kuitenbijtertje omhoog te moeten. Oef… Gelukkig staan er literflessen vol koud water in de koelkast.

haven labuan bajo 2

Ik probeer een trip naar Komodo National Park te regelen. Maandagochtend heb ik tijd om de komodo dragons te bewonderen, maar je moet eerst 2 uur varen, en weer terug. Nog best een ambitieus plan. Na wat rondvragen ga ik in zee met een scharrelaar bij een hotel. Zoals afgesproken sta ik om vijf uur ’s ochtends klaar om opgehaald te worden, maar niemand te bekennen. Om vijf over vijf bel ik de beste man uit zijn bed en een kwartier later zit ik op de brommer richting de haven. Ik had beter kunnen lopen. Maar het blijkt toch goed dat hij erbij is. De boot blijkt niet te starten en de kapitein doet uitvoerig de technische details uit de doeken en vertelt dat hij dit nog nooit eerder heeft gehad. Ik maak me langzamerhand een beetje zorgen over mijn tijdsschema en vraag om een andere boot. Die heeft mijn slaperige scharrelaar dan toch maar weer snel geregeld en om half zeven ben ik eindelijk onderweg. Dan weet je waarom je om tien voor vijf bent opgestaan… De boot maakt enorm veel lawaai, maar desondanks is het een prachtige tocht. Tussen idyllische eilandjes door varen we naar Rinca Island wat onderdeel is van Komodo National Park. Sommige stukken is het water zo helder dat je vanuit de boot de gekleurde vissen ziet zwemmen.

komodoselfieBij de steiger op Rinca Island staat een geruststellend bord dat er meestal geen krokodillen zitten. Ik zie alleen maar heel veel vissen. Zodra je steiger afloopt krijg je een gids mee met een lange stok om de komodo dragons van je af te houden. Al snel komen we de eerste vrolijke vriend tegen. Ik denk nog even een split-second aan de bear selfies op Facebook van mensen die het niet meer na kunnen vertellen en ga vervolgens vrolijk zelf vier keer op de foto. We lopen ruim een uur rond en komen een stuk of acht komodo dragons tegen. Die beesten hebben een bijzonder goede schutkleur. Eén keer ziet de gids er een, die ik absoluut niet had gehad gezien, maar ook een keer omgekeerd. Toch jammer… We komen een kleintje tegen van ongeveer twee jaar. Hoe schattig ook, niet om te knuffelen. Even verder beschermt een vrouwtje actief haar eieren die ze langs het pad heeft begraven. Volgens de gids heeft ze net gegeten. Ik hoop dat hij gelijk heeft. Misschien de vorige toerist. Hij vertelt dat als de eieren uitkomen de kleintjes direct in de boom moeten klimmen anders worden ze door paps en mams opgegeten. Leuke jongens, die komodo dragons.

rinca islandHet is mooi om een ecologisch evenwicht zo duidelijk in werking te zien. Het werkt allemaal heel simpel. Er lopen buffels te grazen op de heuvels. Daar is het in ieder geval overdag te warm voor de komodo dragons die koudbloedig zijn, dus dat is overdag een soort buut-vrij voor de buffels. ’s Avonds en ’s nachts zijn de komodo dragons niet actief, ook door hun koudbloedigheid. Maar de buffels moeten ook drinken, willen naar een andere heuvel met groener gras of willen ook in de schaduw en dat soort loopjes zijn wel een soort van spannend uitje. De komodo dragons jagen alleen – topsnelheid 20 km/uur – en bijten één keer. Vervolgens wachten ze twee weken tot de buffel dood gaat aan de bacteriële infectie die volgt op de beet. Ze eten met zijn allen de buffel op en dan hebben ze weer voor een maand genoeg. Dat is dan weer een zekerheidje voor de andere buffels.

komodo dadTerug bij de boot blijkt ook deze motor kapot, maar ik maak me niet druk. In Indonesië komt altijd alles goed. Zo ook deze keer, zij het na twintig minuten. Mijn scharrelaar heeft vooruitgedacht en een taxi geregeld om me naar het vliegveld te brengen. Daar aangekomen blijkt het vliegtuig twee uur vertraagd te zijn. Dat is nog altijd beter dan dat het vliegtuig plotseling een uur eerder gaat, wat Judith een week eerder had. Ik drink genoeg kopjes matige oploskoffie op de stoep voor het vliegveld en uiteindelijk komt het met die vlucht ook allemaal goed.

sunset labuan bajoDeze bestemming gaat op de lijst voor nog een bezoek, dan met de hele familie. Je kan ook langere trips naar de eilanden maken en hier moeten we ook zeker een keer gaan snorkelen. En dan is er ook nog strand en zijn er in ieder geval een paar lekkere restaurantjes in een categorie die Kupang niet kent.

Even Eruit! Naar Mount Mutis (Fatumnasi)

IMG_20141025_181017

Even wat anders. Even weg uit de hitte van Kupang, even weg van de kinderen, even tijd voor elkaar. Zaterdagochtend vroeg zitten we in de auto richting Fatumnasi, een plaatsje in een bergachtig gebied op 3,5-4 uur rijden van Kupang. De weg van Kapan naar Fatumnasi is nog steeds een aaneenschakeling van hobbels, kuilen, (te) grote stenen, landslides en steile hellingen. Onze auto kan dit maar net.

IMG_20141025_135539

Aangekomen bij de homestay van Pak Mateos Anin kiezen we zo’n mooie traditionele hut om te overnachten. We kunnen meteen aan tafel, want er was al gekookt voor een grote groep fotografen die zomaar aan waren komen waaien zonder te reserveren. Ik denk niet dat zij zich realiseren dat ze zojuist het voedsel van het halve dorp hebben verorberd.

IMG_20141025_180634         IMG_20141025_181253

‘s Middags lopen we al een eindje de berg op. We zien de ene klimboom na de andere. Met kids waren we niet ver gekomen hier. Bijzonder zijn de grote bonsai bomen, de wilde paarden, de orchideeën die in de bomen hangen en nog een aantal planten met kunstzinnige bladeren. Merlin, die wel mee mocht, rent lekker achter stokken aan. Het scheelt ook voor hem dat het hier een stuk koeler is. ‘s Avonds is het behoorlijk koud, maar daar waren we juist erg aan toe!

IMG_20141025_180807         IMG_20141025_181433

Was de reis naar Fatumnasi al een uitdaging voor onze auto, de kilometer of tien naar het startpunt voor de beklimming van Mount Mutis is de cursus voor gevorderden. Eigenlijk kan onze auto dit niet, maar we halen het toch. Op de terugweg vind ik nog wel een stuk achterbumper dat we blijkbaar op de heenweg waren verloren in al het geweld.

IMG_20141026_181101

De groep fotografen heeft gekampeerd in het bos, dat moeten we met de kids ook maar een keer doen. De klim naar de top voert langs bergweides met zowaar een graf van een Nederlander die daar lang geleden heeft gewoond(!) en door bossen met reusachtige Eucalyptus bomen. En natuurlijk de berglucht en het uitzicht. Zelfs de enclave van Timor-Leste (Oost-Timor) in West-Timor is te zien.

IMG_20141026_180434        IMG_20141026_180743

IMG_20141026_180959        IMG_20141026_180216

En we halen de top!

IMG_20141026_180844

Hier komen we zeker nog een keer terug, dan met kids. Misschien…

In De Reeks Eiland Hoppen: Sabu

Zoutwinning

Een weekendje zonder kids, dat leek ons een buitengewoon goed idee. Lodhy, onze hulp, heeft ondertussen voldoende zelfvertrouwen dat ze onze lieftallige spookjes een paar dagen in het gareel kan houden. En zo gaan Judith en ik voor in het eerst sinds we in Indonesië zijn samen op stap. Naar Sabu, een klein eilandje dat tussen West-Timor en Sumba ligt. Als je van Bali naar West-Timor vliegt dan zie je het vaak liggen. De directe aanleiding om naar Sabu te gaan is dat in de zomermaanden een aantal studenten van Judith een project op Sabu doen en zij moet ze opzoeken om de voortgang te bespreken en te kijken of het goed met ze gaat.

Vliegtuigje

We vliegen naar Sabu met Susi Air, een maatschappij die met kleine vliegtuigjes allerlei vliegveldjes in de buurt aandoet. Voor afgelegen plekken zoals Sabu die soms tijden onbereikbaar zijn per boot vanwege te hoge golven is het een hele belangrijke service. In Kupang hebben ze 2 toestellen (Cessna) die zeer goed onderhouden worden. Veel beter dan bijvoorbeeld TransNusa, een maatschappij die ook bestemmingen in de buurt bediend maar dan met grotere redelijk aftandse toestellen. De piloten van Susi Air komen voornamelijk uit Engeland, jonge gasten die het avontuur zoeken. Zo’n klein vliegtuig vliegt ook veel lager waardoor er heel veel te zien is. Zo kan ik me bijvoorbeeld eens goed oriënteren op Pulau Semau, een klein eilandje vlakbij Kupang, waar we ook nodig eens naartoe moeten.

Vanaf Seba Airport gaat het achterop de brommer (bagage op de rug) naar het dorpje Bodae, in het oosten van het eiland. Zo na een half uur hobbelen heb ik er wel genoeg van. Uiteindelijk zijn we na ruim een uur op de plaats van bestemming. We logeren bij de plaatselijke dominee. Het is een komen en gaan van Judith’s studenten die over het hele eiland verspreid hun project doen. Ik vind het verbazingwekkend hoe goed ingeburgerd ze zijn na slechts een paar weken, terwijl de meeste mensen op Sabu voornamelijk hun eigen taal spreken en maar zeer beperkt Bahasa Indonesia.

Hutjeaanzee

Wonen op Sabu is een hard gelag. Het is erg droog. Er zijn nauwelijks winkels en de meest vanzelfsprekende dingen zijn schaars, zoals bijvoorbeeld brandstof. De dominee waar we logeren heeft wel een auto, maar zonder brandstof ben je gauw uitgereden en dus zit er een mooie hoes rond de auto. Dit zien we veel vaker. Door de droogte is het bepaald niet vanzelfsprekend om hier groente te verbouwen. Uit noodzaak zijn de mensen hier grotendeels zelfvoorzienend, maar dat kost ze veel tijd en aandacht. Alle dagen hebben we min of meer hetzelfde gegeten (3x per dag).

Lontar1

Lontar2Er staan veel lontarpalmbomen, waarvan het sap wordt gewonnen (lekker!). Hiertoe klimmen iedere ochtend en avond mannen de boom in om de kunstig van lontarpalmblad gemaakte mandjes waarin het sap wordt opgevangen te legen. Terwijl ze dit doen zingen ze de boom toe, om hem goed gezind te houden. Dan loop je dus ergens en ineens hoor je wat traditioneel gezang. Bij mij duurt het dan even voordat ik doorheb dat dit vanuit bovenin die hele hoge palm komt. Lontarpalmbomen worden vaak vlakbij elkaar gepland, omdat de mannen die de mandjes legen dan van boom naar boom kunnen springen/zwaaien (zoals apen dit doen), want alle bomen 20m omhoog en weer omlaag klimmen is wel erg zwaar. Het is allemaal niet zonder gevaar. Er valt er regelmatig eentje naar beneden. Apen hebben tenslotte niet voor niets een staart…

SchelpTerwijl Judith lekker aan het werk is, trek ik er op uit om de omgeving te ontdekken. Het eiland lijkt veel op Sumba. Nog droger, maar vergelijkbaar pittoresk. Ik stuit op een rots aan het strand waar iemand ten behoeve van zoutwinning allemaal kolossale schelpen (opgedoken uit zee) heeft neergezet. Hij vult ze met zeewater en laat het water verdampen en kan op die manier het zout winnen. Weinig efficient, maar het lijkt alsof Gaudi hier aan het werk is geweest zoals het eruit ziet. Een onwerkelijke omgeving.

De studenten spelen ook graag voor toeristengids en zo bezoeken we tussen de bedrijven door nog allerlei bezienswaardigheden zoals een rumah adat. Dat is een huis wat wordt gebruikt voor alle traditionele rituelen (dus zoals die al in gebruik waren voordat het christendom hier zijn intrede deed).

RumahAdat

Als we op zondag weer vertrekken worden we uitgezwaaid door een grote groep studenten. Een weekend zonder luxe, maar zeker voor herhaling vatbaar.

Sumba – Parel van Oost-Indonesië

Lamboya

Staan we op Timor soms al versteld van hoe dichtbij de bewoonde wereld er nog heel primitieve dorpjes zijn, op Sumba is het contrast mogelijk nog groter. Op korte afstand van standaard Indonesische stadjes, of soms zoals in Waikabubak er middenin op heuveltjes, liggen kleine dorpjes nog geheel in de oude traditie. Gelegen tussen Timor en Bali lijkt Sumba meer te bieden te hebben qua natuur dan Timor of het is in ieder geval beter toegankelijk. GrafsteenDe mensen op Sumba zijn zeer trots op hun cultuur die zich uit in bijvoorbeeld de specifiek Sumbanese huizen, de kleding, de houten beelden en de pasola (paardenraces). Dit zie je op Timor ook, maar de trots lijkt minder groot. Plaatsen op Sumba luisteren naar namen als Tambolaka, Waingapu of Waikabubak die mij in eerste instantie meer overkomen als namen van eilandjes in de Pacific. Wellicht lijkt het daardoor ook exotischer dan het in werkelijkheid is. We zijn ondertussen een aantal keer op Sumba geweest en aangezien het werk van Judith zich ook deels hier afspeelt verwacht ik dat we hier nog wel een stuk vaker gaan komen.

Desa

MantelzorgMet Ton & Evert zijn we naar West-Sumba geweest. Allereerst naar Waikabubak, een slaperig stadje met weinig highlights in het midden van het eiland, maar een prima uitvalsbasis voor excursies in de buurt en in het bezit van een van de beste art shops van het eiland voor de broodnodige souvenirs. Als ik ga hardlopen ren ik binnen de kortste keren over smalle paadjes door de natuur, iets wat in Kupang eigenlijk niet mogelijk is. We regelen onder andere een trip naar het nabije Nationaal Park en volgens de goede Indonesische traditie is het volstrekt onduidelijk wat de toegangsprijzen zijn. Tijdens de onderhandelingen met de park ranger worden officiële documenten gepresenteerd met werkelijk belachelijke prijzen (600 Euro per dag) voor toegang tot een gebied waar ook gewoon mensen wonen die echt niet betalen. Later zijn we ook door hetzelfde gebied gereden zonder iets te betalen. Orang TuaUiteindelijk komen we uit op iets meer dan een tiende van de prijs inclusief 4WD en gidsen. De gidsen bleken van onschatbare waarde, niet zo zeer als gids maar zeker wel als mantelzorgers voor Ton en Evert voor wie de tocht wel erg uitdagend was. De kids zijn daarentegen cum laude geslaagd voor hun klauterdiploma. De uiteindelijke bestemming was een waterval middenin de bush. De plek zou zonder meer dienst kunnen doen als set voor een volgende Lord of the Rings. Het woord idyllisch doet onvoldoende recht aan de omgeving.

IMG_20140701_151710  Ikat

Rumah Sumba

Uiteraard bezoeken we de traditionele dorpjes en zelfs een offerceremonie als onderdeel van een begrafenis. Het is fascinerend om te zien hoe de bewoners hun tradities in stand proberen te houden. Tegelijkertijd hebben ze natuurlijk wel allemaal een brommer en een mobieltje.

Strand Lamboya

De tweede plek waar we verblijven is aanzienlijk luxer, een piepklein resort in Lamboya, dichtbij de kust. We laten ons lekker vertroetelen. Ook dit is een prima uitvalsbasis voor wandelingen door de bergen en langs het strand. Vlakbij wordt jaarlijks een pasola gehouden, dat is een paardenrace. De plek heeft prachtig uitzicht over de omgeving en we vragen ons af hoe het zal zijn als hier de races worden gehouden. De eigenaar van het resort belooft ons plechtig dat hij zal bellen wanneer hij weet wanneer de volgende pasola wordt gehouden. We zijn benieuwd…

Pasola

De vertrektijd van de terugvlucht bleek te zijn veranderd, zonder dat Garuda Indonesia het nodig vond om dat aan ons te vertellen. Nog een geluk dat het naar een later tijdstip was. Verwonderd vraag ik me af al die andere mensen die ook voor niks 3 uur zitten te wachten dit ook niet onhandig vinden. Een mooie oefening voor mijn „letting-go”-practice. Adem in, adem uit. Vlak voor vertrek komt er een medewerker van Garuda naar me toe. Hij vertelt dat de vlucht ook nog overboekt is. Of ik Timothy’s ticket wil ruilen voor een baby-ticket en het overgrote deel van de ticketprijs wil terugkrijgen. Dan moet ik hem wel op schoot nemen. En oja, als de crew vraagt hoe oud Timothy eigenlijk is, dan moet ik twee zeggen en dat hij een beetje groot is voor zijn leeftijd. Langzamerhand zijn we Indonesisch genoeg om direct op het voorstel in te gaan, want de ticketprijzen waren ons al niet helemaal meegevallen. Timothy leefde zich bijna helemaal in in zijn babyrol. Gelukkig stelt er niemand een vraag als onze baby luidkeels tot tien telt in het Indonesisch.

IMG_20140722_221105 IMG_20140722_222146

Voor de bevestiging van Judith als predikant te Sumba moeten we een paar weken later naar Ramuk, in het midden van Sumba, waar een vergadering van de synode wordt gehouden. Houden we in het overgrote deel van de wereld vergaderingen met honderden deelnemers in de meest afschuwelijke conferentie oorden, zo niet te Sumba. Er is ook geen hotel van een dergelijke omvang op het eiland te vinden, maar de oplossing is geniaal. Men neemt een zeer afgelegen dorp, prachtig gelegen in een Nationaal Park, knapt het hele dorp op (alle huizen worden gebruikt als logeeradressen, wegen, water, elektriciteit, sanitair) en zie hier: je hebt een vergaderlocatie en na afloop hebben de bewoners alle faciliteiten. Er is geen bereik voor de mobiele telefoons, wat naar mijn idee een verademing is aangezien Indonesiers altijd de telefoon opnemen en dan luid beginnen te praten. Niet handig als je met zijn honderden bent. De reis er naar toe kan alleen per 4WD en voert door behoorlijk bergachtig gebied met prachtig uitzichten en zelfs door een aantal rivieren.

IMG_20140722_221647 IMG_20140722_221231

Rote – Paradijs off the beaten track

Sunset NemberalaHet is tegen achten als Judith ons (opa, oma, Rivka, Esther, Timothy & Haiko) in de haven van Kupang afzet bij de snelle boot naar Rote. Zelf zal ze een dagje later komen door verplichtingen op de universiteit. Vriendelijk lachende verkopers wijzen ons een keer of drie naar het verkeerde loket om kaartjes te kopen. Uiteindelijk kunnen we – met kaartjes – doorlopen naar de boot, waar het een drukte van belang is om alle dozen, kippen en koffers ingeladen te krijgen en alle passagiers te voorzien van pakjes drinken en doosjes met nasi en groente. De 1e klas stoelen die ik heb gekocht blijken zich te bevinden onderin de boot in een donkere ruimte die doet denken aan een bioscoopzaal van 25 jaar geleden. We kijken gelijk maar even hoe we hier snel weer uit kunnen komen en zijn blij verrast met de aanwezige zwemvesten. De boot lijkt niet volgens goed Koreaans gebruik veel te zwaar beladen te zijn, maar desondanks zijn de meeste passagiers zwaar verzonken in gebed voor een veilige overtocht. Uiteindelijk geeft de boot rond negen uur vol gas en vaart tussen Timor en Pulau Semau richting Rote. Halverwege de oversteek hebben de Indische Oceaan golven vrij spel en we beginnen te begrijpen waar alle gebeden op waren gericht. Rivka kruipt zeeziek lekker tegen oma aan en we zijn blij als we na anderhalf uur in de luwte van Rote het laatste stuk richting de haven van het plaatsje Ba’a varen.

Ba'aBa’a blijkt in het bezit van een heuse vuurtoren, welke meteen gezichtsbepalend is voor het hele dorp. Daarnaast is er een weg langs de zee met daarachter bebouwing, je zou het een boulevard kunnen noemen. Het doet meteen gemoedelijk aan. Het blijft verbazingwekkend dat het in Kupang niet gelukt is om zoiets simpels als een boulevard voor elkaar elkaar te krijgen. We checken in bij het Grace Hotel. De benedenverdieping is tegelijkertijd receptie, woonkamer voor de hele familie, winkel en was-/strijkruimte. Ik had het zelf niet zo bedacht, maar het kan. De kamers zijn zeer eenvoudig, maar schoon. We zijn de enige gasten en hebben de gemeenschappelijke ruimte voor ons zelf, inclusief het balkon met uitzicht op de vuurtoren, haven en de ondergaande zon. Op verkenningstocht in Ba’a later in de middag komen we terecht in een idyllisch aan zee gelegen kampong (wijkje) dat zich helemaal richt op de productie van ikat (geweven doeken). We worden continu omringd door de bewoners, tot vervelens toe. Het is duidelijk dat ze hier niet gewend zijn aan bezoek van toeristen. De meeste toeristen stoppen dan ook niet in Ba’a en reizen meteen door naar Nemberala, het surfparadijs.

Kids Ba'a’s Avonds lopen we direct tegen het gezelligste en beste restaurant van Ba’a aan. Het diner eindigt met dansende kinderen die de tent op zijn kop zetten. De volgende morgen wandelen we, in afwachting van de boot met Judith, een rondje in de buurt. Ba’a is niet veel meer dan wat lintbebouwing langs de kust plus wat straatjes daarachter en dus lopen we binnen de kortste keren door bossen en plantages in de heuvels. Bij gebrek aan toeristen heeft niemand gedacht aan het uitzetten van een toeristische wandelroute en wederom helpen Google Maps en OpenSourceMaps ons uit de brand. Vanuit de hoogte kunnen we in de gaten houden of de boot al in de buurt is en we lopen Judith in het dorp tegemoet. Die boot bleek, daar komen we nu achter, eerst niet en toen toch weer wel te gaan. Vanwege de hoge golven zou ie eerst niet gaan en toen er genoeg mensen waren ging ie ineens toch weer wel. Dat geeft echt vertrouwen. Het wel of niet gaan van de boot zou een terugkerend onderwerp worden deze trip. Al met al kan het centraal gelegen Ba’a (ook vlakbij vliegveldje) met wat kleine investeringen en promotie eenvoudig uitgroeien tot een logische stop voor toeristen die dan nog een paar extra dagen op het eiland verblijven. Ik vraag me af of er iemand op het eiland is die deze potentie ook ziet.

Laut MatiDe volgende dag willen we naar het oosten van Rote. Iedereen is van de leg: een toerist die naar het oosten van Rote wil, dat maken ze niet vaak mee. Zo zie je wat de invloed van de Lonely Planet is: het enige wat in de gids wordt genoemd is het surfstrand en zowel de toeristen als de lokale bevolking vergeten wat er nog meer te zien is. Maar wij gaan lekker naar Laut Mati (dode zee), een zout meer dat ooit gewoon met de zee verbonden was. Het meer is turqoise dat door de harde wind en de overjagende wolken steeds van kleur verandert. De hoge golven maken het lastig om in te zwemmen, maar het is net zo goed verfrissend. We zien aalscholvers, steltkluten, zilverreigers en zowaar een pelikaan die zich prima thuisvoelen in deze combinatie van mangrove, zout water en af en toe een rijstveld.

NemberalaVervolgens is het ook voor ons tijd voor het strand: Nemberala. Dit is de plek waar surf dudes uit de hele wereld naar toe komen, beroemd om de hoge golven. Afgezien daarvan is het niets minder dan een strandparadijs: palmbomen, witte stranden, blauwe zee en – misschien nog wel het belangrijkst – weinig andere toeristen. Ook de bekende winkeltjes met toeristische meuk hebben deze plek gelukkig nog niet bereikt. En ons hotel heeft een zwembad, de kids zijn er niet weg te slaan.

Pulau DooEen lokale visser brengt ons naar Pulau Doo, een eilandje op een uurtje varen. Zijn bootje ploegt zich door metershoge golven, best spannend, tot we in de luwte van het eiland komen. De bedoeling was om daar te gaan snorkelen, maar na een paar pogingen geven we het op. Er zijn ook daar nog te veel golven en de stroming is te sterk. Wel wederom erg leuk om met Timothy ruim voor de kust te gaan zwemmen. Hij vindt het enorm spannend. Om aan land te gaan moeten we het laatste stukje zwemmen. Opa en oma durven het niet aan. Op het eiland is geen drinkwater te vinden, dus het is onbewoond op een paar vissers na die er kamperen. Ze laten ons hun hutjes zien, met allemaal verschillende soorten gedroogde en gerookte vis. Ook ligt er een schildpaddenschild. Het is streng verboden om op schildpadden te jagen, maar dat verbod heeft deze afgelegen plek blijkbaar nog niet bereikt.

Pulau Doo 2Het hotel heeft een paar mountainbikes. Opa, Judith en ik trekken er op uit. Tenminste… dat dachten we. Opa dacht dat ie tegelijkertijd kon fietsen en uitvogelen hoe de versnellingen werken. Voor we het weten ligt hij in de berm, nog geen 300 meter van het hotel. Met zijn hoofd tegen een muurtje aangeklapt ziet het er allerminst florissant uit. Een bezoekje aan de plaatselijke puskesmas (soort huisartsenpost) waar toevallig vandaag de dokter aanwezig was en 8 hechtingen verder besluiten we om het vandaag maar verder rustig aan te doen.

Nemberala 3Aan het eind van de middag maak ik toch nog de tocht die ik in gedachten had. Het voert langs kleine vissersdorpjes gelegen aan het ene idyllische strand na het andere. Waarom zou je überhaupt naar Bali gaan, als dit ook kan? Wat ook hier op valt, is het gebrekkige toeristische inzicht. De resorts richten zich alleen maar op surfen, duiken en snorkelen. Geen wandel- of fietsroutes, laat staan kaarten. Geen activiteiten gericht op genieten van de natuur. Erg eenzijdig.

Rote hoedDe bewoners van Rote zijn trots op hun eiland en ze proberen er iets van te maken. Dat zie je aan allerlei activiteiten (met name landbouw) die er serieuzer uit zien dan in West-Timor. Het is moeilijk te duiden wat het is, maar waar West-Timor de indruk wekt dat iedereen maar wat doet, daar zie je hier keurige akkertjes die duidelijk volgens een plan zijn bedacht. De mensen hebben een drive die ik op West-Timor niet veel zie. De trots komt tot uiting door de traditionele hoed. Een dergelijk symbool heeft West-Timor ook niet.

Gaat ie of gaat ie niet, that’s the question. Ik heb het over de boot. Iedere ochtend is het voor de hotelgasten die die dag willen vertrekken de vraag of de boot wel gaat. Voor sommigen heeft een behoorlijke impact als blijkt dat de boot niet gaat. Hun hele vliegschema gaat door de war. Ook voor ons wordt het een beetje nijpend, hoewel we 2 dagen speling hadden ingebouwd voor onze vlucht van Kupang naar Sumba. Uiteindelijk blijkt de langzame boot te gaan. Twee taxi’s racen ons naar de haven, die even voorbij Ba’a ligt. Een paard op de weg en de taxichauffeur zagen elkaar iets te laat en hadden blijkbaar allebei geleerd hoe om te gaan met dat soort situaties: het paard ging dwars op de weg liggen en werd door de taxi zo van de weg afgeveegd. Zonder problemen stond het paard weer op en rende de wei in: taxi en paard zonder schade het incident overleefd. Misschien een alledaagse situatie op Rote, voor ons toch behoorlijk enerverend.

Boot RoteIn de hectiek van de haven veroveren we onze plek op de boot. Ik blijk ligplaatsen te hebben gekocht in een wat rustiger cabine met uitzicht op zee, een goede keus bleek achteraf. De golven zijn mogelijk nog hoger dan op de heenweg. Alle locals lijken in een continu gebed verzonken. Na een uur of twee is iedereen in de andere, propvolle cabines zonder goed uitzicht zeeziek en wordt alles ondergekotst. Smeriger heb ik het zelden meegemaakt. Ik zoek een mooi plekje bovenop het dek en geniet van een school dolfijnen die ons komt begroeten en een stukje met de boot meezwemt. Na vier uur is Kupang in zicht. We zijn weer thuis.

*** Dit is een verslag van ons bezoek aan Rote in juni 2014. Vanaf nu zal deze blog worden gebruikt om iedereen twee keer per maand op de hoogte houden van ons alledaagse leven in Kupang en onze avonturen in de buurt ***