Rote – Paradijs off the beaten track

Sunset NemberalaHet is tegen achten als Judith ons (opa, oma, Rivka, Esther, Timothy & Haiko) in de haven van Kupang afzet bij de snelle boot naar Rote. Zelf zal ze een dagje later komen door verplichtingen op de universiteit. Vriendelijk lachende verkopers wijzen ons een keer of drie naar het verkeerde loket om kaartjes te kopen. Uiteindelijk kunnen we – met kaartjes – doorlopen naar de boot, waar het een drukte van belang is om alle dozen, kippen en koffers ingeladen te krijgen en alle passagiers te voorzien van pakjes drinken en doosjes met nasi en groente. De 1e klas stoelen die ik heb gekocht blijken zich te bevinden onderin de boot in een donkere ruimte die doet denken aan een bioscoopzaal van 25 jaar geleden. We kijken gelijk maar even hoe we hier snel weer uit kunnen komen en zijn blij verrast met de aanwezige zwemvesten. De boot lijkt niet volgens goed Koreaans gebruik veel te zwaar beladen te zijn, maar desondanks zijn de meeste passagiers zwaar verzonken in gebed voor een veilige overtocht. Uiteindelijk geeft de boot rond negen uur vol gas en vaart tussen Timor en Pulau Semau richting Rote. Halverwege de oversteek hebben de Indische Oceaan golven vrij spel en we beginnen te begrijpen waar alle gebeden op waren gericht. Rivka kruipt zeeziek lekker tegen oma aan en we zijn blij als we na anderhalf uur in de luwte van Rote het laatste stuk richting de haven van het plaatsje Ba’a varen.

Ba'aBa’a blijkt in het bezit van een heuse vuurtoren, welke meteen gezichtsbepalend is voor het hele dorp. Daarnaast is er een weg langs de zee met daarachter bebouwing, je zou het een boulevard kunnen noemen. Het doet meteen gemoedelijk aan. Het blijft verbazingwekkend dat het in Kupang niet gelukt is om zoiets simpels als een boulevard voor elkaar elkaar te krijgen. We checken in bij het Grace Hotel. De benedenverdieping is tegelijkertijd receptie, woonkamer voor de hele familie, winkel en was-/strijkruimte. Ik had het zelf niet zo bedacht, maar het kan. De kamers zijn zeer eenvoudig, maar schoon. We zijn de enige gasten en hebben de gemeenschappelijke ruimte voor ons zelf, inclusief het balkon met uitzicht op de vuurtoren, haven en de ondergaande zon. Op verkenningstocht in Ba’a later in de middag komen we terecht in een idyllisch aan zee gelegen kampong (wijkje) dat zich helemaal richt op de productie van ikat (geweven doeken). We worden continu omringd door de bewoners, tot vervelens toe. Het is duidelijk dat ze hier niet gewend zijn aan bezoek van toeristen. De meeste toeristen stoppen dan ook niet in Ba’a en reizen meteen door naar Nemberala, het surfparadijs.

Kids Ba'a’s Avonds lopen we direct tegen het gezelligste en beste restaurant van Ba’a aan. Het diner eindigt met dansende kinderen die de tent op zijn kop zetten. De volgende morgen wandelen we, in afwachting van de boot met Judith, een rondje in de buurt. Ba’a is niet veel meer dan wat lintbebouwing langs de kust plus wat straatjes daarachter en dus lopen we binnen de kortste keren door bossen en plantages in de heuvels. Bij gebrek aan toeristen heeft niemand gedacht aan het uitzetten van een toeristische wandelroute en wederom helpen Google Maps en OpenSourceMaps ons uit de brand. Vanuit de hoogte kunnen we in de gaten houden of de boot al in de buurt is en we lopen Judith in het dorp tegemoet. Die boot bleek, daar komen we nu achter, eerst niet en toen toch weer wel te gaan. Vanwege de hoge golven zou ie eerst niet gaan en toen er genoeg mensen waren ging ie ineens toch weer wel. Dat geeft echt vertrouwen. Het wel of niet gaan van de boot zou een terugkerend onderwerp worden deze trip. Al met al kan het centraal gelegen Ba’a (ook vlakbij vliegveldje) met wat kleine investeringen en promotie eenvoudig uitgroeien tot een logische stop voor toeristen die dan nog een paar extra dagen op het eiland verblijven. Ik vraag me af of er iemand op het eiland is die deze potentie ook ziet.

Laut MatiDe volgende dag willen we naar het oosten van Rote. Iedereen is van de leg: een toerist die naar het oosten van Rote wil, dat maken ze niet vaak mee. Zo zie je wat de invloed van de Lonely Planet is: het enige wat in de gids wordt genoemd is het surfstrand en zowel de toeristen als de lokale bevolking vergeten wat er nog meer te zien is. Maar wij gaan lekker naar Laut Mati (dode zee), een zout meer dat ooit gewoon met de zee verbonden was. Het meer is turqoise dat door de harde wind en de overjagende wolken steeds van kleur verandert. De hoge golven maken het lastig om in te zwemmen, maar het is net zo goed verfrissend. We zien aalscholvers, steltkluten, zilverreigers en zowaar een pelikaan die zich prima thuisvoelen in deze combinatie van mangrove, zout water en af en toe een rijstveld.

NemberalaVervolgens is het ook voor ons tijd voor het strand: Nemberala. Dit is de plek waar surf dudes uit de hele wereld naar toe komen, beroemd om de hoge golven. Afgezien daarvan is het niets minder dan een strandparadijs: palmbomen, witte stranden, blauwe zee en – misschien nog wel het belangrijkst – weinig andere toeristen. Ook de bekende winkeltjes met toeristische meuk hebben deze plek gelukkig nog niet bereikt. En ons hotel heeft een zwembad, de kids zijn er niet weg te slaan.

Pulau DooEen lokale visser brengt ons naar Pulau Doo, een eilandje op een uurtje varen. Zijn bootje ploegt zich door metershoge golven, best spannend, tot we in de luwte van het eiland komen. De bedoeling was om daar te gaan snorkelen, maar na een paar pogingen geven we het op. Er zijn ook daar nog te veel golven en de stroming is te sterk. Wel wederom erg leuk om met Timothy ruim voor de kust te gaan zwemmen. Hij vindt het enorm spannend. Om aan land te gaan moeten we het laatste stukje zwemmen. Opa en oma durven het niet aan. Op het eiland is geen drinkwater te vinden, dus het is onbewoond op een paar vissers na die er kamperen. Ze laten ons hun hutjes zien, met allemaal verschillende soorten gedroogde en gerookte vis. Ook ligt er een schildpaddenschild. Het is streng verboden om op schildpadden te jagen, maar dat verbod heeft deze afgelegen plek blijkbaar nog niet bereikt.

Pulau Doo 2Het hotel heeft een paar mountainbikes. Opa, Judith en ik trekken er op uit. Tenminste… dat dachten we. Opa dacht dat ie tegelijkertijd kon fietsen en uitvogelen hoe de versnellingen werken. Voor we het weten ligt hij in de berm, nog geen 300 meter van het hotel. Met zijn hoofd tegen een muurtje aangeklapt ziet het er allerminst florissant uit. Een bezoekje aan de plaatselijke puskesmas (soort huisartsenpost) waar toevallig vandaag de dokter aanwezig was en 8 hechtingen verder besluiten we om het vandaag maar verder rustig aan te doen.

Nemberala 3Aan het eind van de middag maak ik toch nog de tocht die ik in gedachten had. Het voert langs kleine vissersdorpjes gelegen aan het ene idyllische strand na het andere. Waarom zou je überhaupt naar Bali gaan, als dit ook kan? Wat ook hier op valt, is het gebrekkige toeristische inzicht. De resorts richten zich alleen maar op surfen, duiken en snorkelen. Geen wandel- of fietsroutes, laat staan kaarten. Geen activiteiten gericht op genieten van de natuur. Erg eenzijdig.

Rote hoedDe bewoners van Rote zijn trots op hun eiland en ze proberen er iets van te maken. Dat zie je aan allerlei activiteiten (met name landbouw) die er serieuzer uit zien dan in West-Timor. Het is moeilijk te duiden wat het is, maar waar West-Timor de indruk wekt dat iedereen maar wat doet, daar zie je hier keurige akkertjes die duidelijk volgens een plan zijn bedacht. De mensen hebben een drive die ik op West-Timor niet veel zie. De trots komt tot uiting door de traditionele hoed. Een dergelijk symbool heeft West-Timor ook niet.

Gaat ie of gaat ie niet, that’s the question. Ik heb het over de boot. Iedere ochtend is het voor de hotelgasten die die dag willen vertrekken de vraag of de boot wel gaat. Voor sommigen heeft een behoorlijke impact als blijkt dat de boot niet gaat. Hun hele vliegschema gaat door de war. Ook voor ons wordt het een beetje nijpend, hoewel we 2 dagen speling hadden ingebouwd voor onze vlucht van Kupang naar Sumba. Uiteindelijk blijkt de langzame boot te gaan. Twee taxi’s racen ons naar de haven, die even voorbij Ba’a ligt. Een paard op de weg en de taxichauffeur zagen elkaar iets te laat en hadden blijkbaar allebei geleerd hoe om te gaan met dat soort situaties: het paard ging dwars op de weg liggen en werd door de taxi zo van de weg afgeveegd. Zonder problemen stond het paard weer op en rende de wei in: taxi en paard zonder schade het incident overleefd. Misschien een alledaagse situatie op Rote, voor ons toch behoorlijk enerverend.

Boot RoteIn de hectiek van de haven veroveren we onze plek op de boot. Ik blijk ligplaatsen te hebben gekocht in een wat rustiger cabine met uitzicht op zee, een goede keus bleek achteraf. De golven zijn mogelijk nog hoger dan op de heenweg. Alle locals lijken in een continu gebed verzonken. Na een uur of twee is iedereen in de andere, propvolle cabines zonder goed uitzicht zeeziek en wordt alles ondergekotst. Smeriger heb ik het zelden meegemaakt. Ik zoek een mooi plekje bovenop het dek en geniet van een school dolfijnen die ons komt begroeten en een stukje met de boot meezwemt. Na vier uur is Kupang in zicht. We zijn weer thuis.

*** Dit is een verslag van ons bezoek aan Rote in juni 2014. Vanaf nu zal deze blog worden gebruikt om iedereen twee keer per maand op de hoogte houden van ons alledaagse leven in Kupang en onze avonturen in de buurt ***

Advertisements